Menu
menu

Publicatie: 28 oktober 2020, NRC
Tekst: Geronimo Matulessy

Koloniaal verleden Helaas worden de verhalen van Molukkers vaak vergeten, omdat ‘we’ behalve onderdrukten zelf onderdrukker waren. Tijd voor heroriëntatie van het morele kompas, zegt Geronimo Matulessy.

Met de recente boekpresentatie en het symposium over het wetenschappelijke onderzoek ‘De slavernij in Oost en West’ over de rol van het Amsterdamse stadsbestuur tijdens de koloniale overheersing, wordt de postkoloniale discussie opnieuw leven ingeblazen. Daarbij kwam de Raad voor Cultuur deze maand met het advies aan minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66) om koloniale roofkunst terug te geven aan herkomstlanden.

Aan de publieke reacties in zowel Nederlandse, Indische en Molukse gemeenschappen valt op te maken dat deze pijnlijke geschiedenis de kenmerken heeft van een wond die nooit geneest . Probleem is dat steeds dezelfde stemmen de boventoon voeren en een helder Molukse narratief ontbreekt.

De uitkomsten van het onderzoek onderstrepen nogmaals het onderdrukkende apparaat van De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) waarin slavernij was genormaliseerd en gecodificeerd. Door een diversiteit aan experts, bestaande uit drie generaties, wit, zwart, en diverse genders uit binnen- en buitenland, die als redacteuren elk een hoofdstuk hebben geschreven, is er een compleet beeld geschetst over de structuren die destijds de norm waren. Zaligmakend is het onderzoek ook niet, want ook hier is slechts een fractie te lezen over de Molukse geschiedenis en ook daarover valt te twisten.

Brandende kampongs
Het promotieonderzoek De brandende kampongs van Generaal Spoor van Rémy Limpach, beschreef in 2016 ook minutieus de oorlogsmisdaden van Nederlandse militairen tijdens de ‘politionele acties’ tussen 1945 en 1950. De Zwitsers-Nederlandse historicus maakte korte metten met het verwrongen zelfbeeld van Nederland en hij kwalificeert veel van het geweld als oorlogsmisdaden.

Voor de Molukse samenleving was dit een belangrijke geschiedkundige openbaring, omdat een hoog percentage van de Molukkers in Nederland familieleden hebben die toen hebben meegestreden met het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Een loyaliteitsconflict is hiermee ontstaan, omdat niemand zijn eigen familie weg wil zetten als oorlogsmisdadiger.

Minder geloofwaardig is het onderzoek door witte historici en instituten zoals het Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde (KITLV), Nederlandse Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), getiteld Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950. Het project doet, gesubsidieerd door de Nederlandse overheid, onderzoek naar de misdaden gepleegd door Nederlandse soldaten in Indonesië. Dat is weinig geloofwaardig omdat deze instituten op voorhand niet heel transparant waren en met name Defensie mogelijk een eigen belang heeft bij de uitkomsten van dit onderzoek.

Daarbij is het niet echt vertrouwenwekkend dat ook de inrichting van deze instituten van oudsher wit is, in zichzelf gekeerd en niet intersectioneel zoals het onderzoek van ‘De slavernij in Oost en West’.

Gebroken belofte
In het Molukse narratief staat de onbetrouwbaarheid van de Nederlandse staat vóór en na 1951 centraal. In dat jaar kwamen de KNIL-militairen en hun gezinnen aan in de Rotterdamse haven. Hun was beloofd dat dit verblijf tijdelijk zou zijn. De belofte werd gebroken. De militairen werden gedwongen gedemobiliseerd. Daarbij is, voor mij als Molukse nazaat met Nederlands bloed, kleinkind van een opa die direct als soldaat van het KNIL heeft gediend, de doorwerking van het verleden wrang. Als student rechtsgeleerdheid weet ik, dat het Nederlandse Wetboek van Strafrecht voor Nederlandsch-Indië dik honderd jaar geleden is ontwikkeld om de mensen in de kolonie te onderdrukken. Indonesië heeft dit wetboek na haar onafhankelijkheid in 1945 overgenomen. En nu worden de volkeren in West-Papua en de Molukken onderdrukt op basis van deze antieke bepalingen tegen ‘rebellie’ (makar). Daarbij worden vreedzame demonstranten die een beroep doen op hun zelfbeschikkingsrecht door die wetsartikelen aangeduid als rebellen, zoals Amnesty International vorig jaar oktober schreef.

En dan heb ik het nog niet gehad over het verborgen verdriet in de ogen van mijn opa; ontheemd en bedrogen. Of de oprechte woede van mijn moeder als ze vertelt over de F104 Starfighters die bij de treinkaping bij De Punt (1977) laag over de trein met kapers en gegijzelden heen vlogen. Het merendeel van de Molukkers kennen zo’n opa en zo’n moeder. Dat zijn trauma’s en erfenissen waarvoor rekenschap afgelegd moet worden om als gemeenschap te kunnen helen.

Met excuses of een zak met geld vanuit de Nederlandse politiek zijn de problemen niet plotsklaps verdwenen

Binnen de Molukse gemeenschap is een moeizaam dekolonisatieproces gaande. Van oudsher zijn Molukkers opgevoed in de gedachte dat wij van Nederland een speciale status hadden gekregen in de kolonie. Loyaliteit en trots raakten in conflict met de bittere realiteit van verraad en ballingschap.

Misschien kunnen wij progressie maken door meer verbinding met de zwarte gemeenschap te zoeken, met mensen die de slavernij uit de West als leidraad hebben. Want ‘wij’, de bevolkingsgroepen uit de Oost, hebben in hetzelfde systeem geleefd en kunnen deze overeenkomstige ervaringen met elkaar delen.

Bewustwording en erkenning
Het intern veranderen is een pijnlijk en traag proces, maar de feiten dwingen ons tot nieuwe inzichten. Molukse en Indische platformen zoals ‘Building the Baileo’ en ‘Dekolonisatie Netwerk Nederlands-Indië’ zetten zich in voor deze groepen en thema’s. Zo is het protest in Hoorn tegen het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen, 19 juni van dit jaar, symbolisch voor de strijd voor bewustwording, erkenning en gelijkheid die vooral door Molukse en Indische jongeren wordt gedragen. Molukse Nederlanders, gelieerd aan de Zuid-Molukse regering in ballingschap, de Republik Maluku Selatan (RMS), voeren nog steeds een strijd tegen Indonesië. Daarbij is vaak een overlap zichtbaar met jongeren die hun stem laten horen in het postkoloniale debat en de vrijheidsstrijd op de Molukken en West-Papua.

Nederland worstelt al jaren met zijn koloniale verleden en identiteit. Met excuses of een zak met geld vanuit de Nederlandse politiek zijn de problemen niet plotsklaps verdwenen. Er schuilt een soort van paternalisme in. Beter is het te investeren in het geven van de juiste context over de VOC-periode in onder andere het onderwijs en de kunst- en cultuursector. Pluk de vruchten van onze pluriforme samenleving. Maak bij de heroriëntatie van het morele kompas ruimte voor minderheden binnen bestaande instituties.

Helaas worden de verhalen van Molukkers vaak vergeten, omdat ‘we’ onderdeel uitmaakten van het KNIL en daarmee de onderdrukker waren. Maar de geschiedenis is nooit zwart-wit. Om een zuiver beeld te krijgen zijn meerdere perspectieven en invalshoeken nodig.

Voor de Molukse gemeenschap is het zaak om het debat met elkaar te blijven zoeken. We moeten ons losmaken van de postkoloniale, afhankelijke houding. In het reine komen met onze dubbele identiteit van onderdrukkers en onderdrukten.

Tot die tijd moeten we in het huidige populistische klimaat, waarin racisme en discriminatie onze samenleving aantasten, onszelf staande zien te houden en niet opnieuw in de val trappen van verdeel-en-heers tactieken. We hebben gezien waar dat ons heeft gebracht.

Correctie (28-10-2020): In een eerdere versie stond dat F-16’s over de gekaapte trein bij De Punt vlogen. Dit is onjuist en is hierboven aangepast in F104 Starfighters.

Het interview is gepubliceerd op de website van het Moluks Historisch Museum en het magazine ‘Marinjo’.

Publicatie: 7 juni 2017, De Verdieping – Trouw 
Foto’s en tekst door Geronimo Matulessy 

Zondag is het 40 jaar geleden dat de Nederlandse overheid een eind maakte aan de Molukse, politiek getinte, treinkaping bij De Punt. Hoe kijken jonge Molukse Nederlanders nu naar hun identiteit en het vrijheidsideaal?

Vanuit het kerkgebouw aan de rand van de Molukse wijk in Assen klinken kerkliederen, in de deuropeningen van de pastelkleurige rijtjeshuizen staan bewoners met elkaar te praten. In deze buurt vind je geen Nederlanders, behalve als ze getrouwd zijn met een Molukse partner.

Dit soort wijken werden voor Molukkers gebouwd toen duidelijk werd dat hun tijdelijke verblijf in Nederland definitief zou zijn. Op veel plekken verandert de samenstelling van de oorspronkelijk ongeveer zestig wijken. Zo is er bijvoorbeeld in Vaassen geen stichting en wijkraad meer actief, daar wonen inmiddels autochtone Nederlanders en Molukkers in één wijk. Maar hier in Assen, en ook in Moordrecht en Capelle aan den IJssel eist de Molukse gemeenschap dat hun wijk ook écht Moluks blijft.

Middenin de Assense wijk woont Chayah Hehanussa (24) in zijn ouderlijk huis. In de woonkamer springt de grote Molukse vlag in het oog. Chayah wijst naar de foto op het dressoir: “Dat is mijn opa.” Een voormalig Knil-militair poseert in dienstuniform. Voor de familie Hehanussa symboliseert hij trots en onverzettelijkheid.

Justus Veenman, emeritus-hoogleraar economische sociologie in Rotterdam, deed tussen 1978 en 2000 veelvuldig onderzoek naar Molukkers in Nederland. Volgens hem fungeren Molukse wijken als vangnet voor de vele laagopgeleiden en werklozen. Het is een netwerk dat er naar zijn zeggen toe doet, omdat men elkaar helpt. “Een Molukker uit de wijk ontleent zijn identiteit aan de plek waar hij vandaan komt. Uit internationaal onderzoek is gebleken dat een sterke identiteitsvorming belangrijk is voor de integratie.”

Nadeel is dat de contacten sterk gericht zijn op de eigen gemeenschap, zegt Veenman. Dat beïnvloedt de integratie: “Hun studiekeuze hangt af van hun vrienden en vriendinnen. Met de gedachte: ‘We blijven altijd bij elkaar.’ Dat is een groot probleem.”

Dat wil niet zeggen dat Molukkers in de wijk niet integreren, want ze hebben werk, volgen een opleiding of sporten met Nederlanders. Anderzijds zijn er ook Molukkers die opgaan in de Nederlandse samenleving en een woning buiten de wijk vinden. Er is een stijgende lijn in het vormen van gemengde huwelijken.

Volgens Fridus Steijlen, antropoloog en wetenschappelijk onderzoeker bij het Koninklijk instituut voor taal-, land- en volkenkunde in Leiden, hebben de Molukkers van de eerste en tweede generatie lange tijd gedacht dat zij terug zouden keren naar de Molukken. Dat zorgde voor een achterstand op de arbeidsmarkt en onderwijs. “De integratie is pas vanaf 1980 begonnen.”

Veenman en Steijlen zijn het eens: de kans dat de gewelddadige excessen van de jaren ’70 weer opdoemen is niet reëel. Tegenwoordig heeft het Molukse vrijheidsideaal een symbolische waarde, maar past het wel in een politieke identiteit. De gewelddadige acties van toen pasten meer in die tijdgeest. Steijlen: “De tweede generatie verdiepte zich in de koloniale geschiedenis en zagen dat ze waren belazerd door de overheid. In die tijd had je bijvoorbeeld de PLO, Eta en de Ira. De jongeren identificeerden zich daarmee.”

Er vindt nu een verschuiving plaats: de mensenrechtensituatie in Indonesië valt ook onder de aandacht bij de derde en vierde generatie Molukkers. In de zoektocht naar hun identiteit wordt ook de nadruk gelegd op culturele aspecten, recht op zelfbeschikking en verbetering van de leefomstandigheden van de inwoners op de Molukken.

Zodra het avondeten klaar is komt tante Loes, de moeder van Chayah, uit de keuken naar de woonkamer. Ze heeft een duidelijke boodschap: “Het is belangrijk dat de strijd door de jeugd wordt overgenomen. Molukkers mogen nooit vergeten waar ze vandaan komen.”

Chayah Hehanussa (24, Assen)

In het leven van Chayah Hehanussa staat het streven naar een onafhankelijke, vrije Molukse staat centraal. Vroeger liep zijn moeder voorop tijdens de heftige demonstraties tegen de Nederlandse overheid, nu heeft de geboren Assenaar het stokje overgenomen.

“Toen mijn opa’s en oma’s naar Nederland kwamen heeft de Nederlandse staat ons ‘genaaid’. We zouden maar tijdelijk blijven en ons eigen land krijgen. Dat de meeste Nederlanders onze geschiedenis niet kennen maakt me nog steeds kwaad. Op school riepen ze weleens: ‘Ga naar je eigen land!’

De treinkapers hebben die acties uitgevoerd omdat ze niet werden gehoord. De overheid heeft ons in de steek gelaten en onze ouders en grootouders in voormalige concentratiekampen geplaatst. Ik zou mijn leven geven voor de Molukse zaak. Want daar strijden we natuurlijk voor. Zoiets als een treinkaping zal niet meer gebeuren omdat de tijden zijn veranderd. Ik help de Republiek der Zuid-Molukken – door maandelijks een bijdrage te storten. Dat zou elke jongere moeten doen. Als we ooit onafhankelijk worden wil ik naar de Molukken verhuizen.

Ik zie mezelf niet in een ‘belanda wijk’, Hollandse buurt, wonen daar kijken ze amper naar elkaar om. Bij ons in de wijk helpen wij elkaar graag als het nodig is, dat zie je bij Nederlanders niet snel gebeuren. Naarmate ik ouder word zoek ik steeds meer mijn eigen volk op, omdat het fijner is om Maleis te praten en de jongens in de wijk begrijpen mij beter. Later wil ik sowieso een volbloed Molukse vriendin. Je ziet nu veel halfbloedjes rondlopen, niet dat het erg is, maar ik zou dat niet willen.

In deze wijk hebben Molukkers voorrang om de huizen te bewonen. Stel je voor dat wij uit ons huis moeten vertrekken, en er komen Nederlanders in en geen Molukkers, dan wordt het chaos. Net zoals in Hoogeveen, waar ruiten in werden gegooid van nieuwe bewoners.

Wij hebben de jongerengroep ‘Van ver gekomen’ opgericht en op die manier proberen we onze geschiedenis en cultuur over te dragen aan de nieuwe generaties. Het is mijn angst dat ons vrijheidsideaal verwatert doordat leeftijdsgenoten meer bezig zijn met andere dingen: ze lopen wel met de Molukse vlag maar zetten zich niet in voor de strijd. Ik vind het belangrijk dat we één volk blijven en onze identiteit niet kwijtraken. We moeten niet vergeten waarom we hier zijn.”

Jeftha Pattikawa (40, Amsterdam)

Jeftha Pattikawa groeide op in het Gelderse Vaassen. Van dichtbij maakte hij mee hoe het is om op te groeien in een gesegregeerde samenleving, gescheiden van de Nederlandse bevolking. Hij is modeontwerper en documentairemaker, waarbij zijn aandacht uitgaat naar de Molukse geschiedenis en cultuur.

“Toen ik vier jaar was zag ik dat een Nederlandse man door de wijk fietste, ik vond het vreemd. Dat deed je niet, het was een ongeschreven regel. Als kind waande je jezelf, in de Molukse wijk, in een ‘ander’ land. De geuren die uit de keukens kwamen waren anders. De omgangsvormen ook, want Molukkers vinden hun familie belangrijk en staan voor elkaar klaar. Ik had alleen Molukse vriendjes. Tot je de televisie aandeed: dan zag je ‘De Fabeltjeskrant’, ging je naar school en kwam Sinterklaas langs. Ik heb een Nederlandse partner en vertrok op mijn negentiende voor mijn studie naar Amsterdam. Zo vloeiden twee verschillende culturen in elkaar over.

Met een vrije Molukse staat ben ik niet echt bezig. Ik ben meer betrokken bij de algehele mensenrechten, racisme of vrouwenrechten. Vanaf mijn zevende woonde ik bij mijn oma, omdat mijn ouders drugsverslaafd waren. Ik had geluk dat mijn oma de pijn van de Molukse strijd niet op de familie heeft overgebracht. Ondanks dat zeven van haar elf kinderen verslaafd waren, en ze haar man op jonge leeftijd verloor, kreeg dat verdriet geen plek in het gezin.

Ik voel me gefrustreerd omdat de media een vast discours volgen: als er over Molukkers wordt gesproken gaat het altijd over radicalisering of treinkapingen. Ik kan me door die generalisaties indenken hoe bijvoorbeeld een Marokkaan of moslim zich voelt. Dat is pijnlijk en moeilijk. Maar die frustraties motiveren mij om in mijn documentaires nieuwe verhalen te vertellen. Onze geschiedenis begint niet in 1951, bij de aankomst van de boten in Rotterdam, maar in 1609 toen de Nederlanders op de Molukken aankwamen.

Doordat ik in de Molukse wijk opgroeide zag ik wat segregatie met een gemeenschap kan doen. Molukkers hebben hierdoor economische achterstanden opgelopen. Als ik met musea in gesprek ga vertel ik dat het verhaal ook vanuit de Molukse kant verteld moet worden. Molukkers en Nederlanders hebben een lange gezamenlijke geschiedenis. Zo zat mijn oma in de tijd van de Nederlandse kolonisatie op een Nederlandse school. Het is voor ons geen vreemde cultuur.”

Joenoes Polnaija (27, Rotterdam)

Op jonge leeftijd wordt Joenoes Polnaija geconfronteerd met het Molukse vrijheidsideaal. Zijn vader was in 1977 betrokken bij de gijzeling van een basisschool in Bovensmilde. Joenoes koos anders: als theatermaker gelooft hij in een leven zonder geweld.

“Op mijn achtste zijn we vanuit Assen naar de Molukse wijk in Tiel verhuisd. Daar groeide ik op tussen Molukkers, Marokkanen, Turken en Nederlanders. Niet een standaardwijk waar alleen Molukkers wonen.

We hadden in die tijd al een voorsprong op de rest van Nederland: wij waren écht multicultureel. Er waren zelfs Marokkanen die Maleis spraken en een van mijn goede vrienden is een Nederlander. Dat was een mooie en leerzame tijd.

Als mijn zoon ouder is wil ik hem muzikaal opvoeden. Die creativiteit is typisch Moluks. Ik ben ook bezig om de oorspronkelijke oertaal van mijn voorouderen te leren, omdat deze taal mij dichter bij mijn gevoel brengt.

Het christelijke geloof is ook belangrijk voor me, ik word emotioneel als ik hierover praat. Laat ik het zo zeggen: ik deed ‘domme dingen’ en het geloof heeft me op het juiste pad gebracht.

In mijn opvoeding ben ik erg vrijgelaten door mijn ouders. Ze hebben benadrukt dat ik respect voor ouderen moet hebben. Thuis spraken we niet over politiek of het plegen van gewelddadige acties. Mijn vader zag dat geweld een liefdeloze oplossing was.

Ik snap de negatieve reacties – over de treinkapingen en gijzelingen in de jaren ’70 – van de meeste Nederlanders wel. Het is onwetendheid over onze geschiedenis en de gevolgen hiervan. Dat is ooit begonnen toen zij de Molukken eeuwen geleden koloniseerden en niet andersom.

Daarom doe ik tijdens mijn theatervoorstellingen aan cultuuroverdracht, waarin het mijn doel is dat mensen naar elkaars verhalen leren luisteren.

Toen wij, de Molukse jongeren, vorig jaar in Den Haag demonstreerden tegen de Indonesische president Joko Widodo verliep dat zonder incidenten. We hebben laten zien dat we zonder geweld onze boodschap kunnen overbrengen en samen kunnen werken, op dat gevoel teer ik nog steeds.

Of de Molukken ooit onafhankelijk worden, weet ik niet. Nu richt ik me op de mensenrechten die door Indonesië op de Molukken worden geschonden en niet op het politieke verhaal.”

Gepubliceerd in Trouw 
Door Geronimo Matulessy 

 

COC Nederland is bezorgd over de rechten van homo’s in Indonesië, nu het vakantieseizoen aanbreekt.

Een razzia in een homosauna en stokslagen vanwege je geaardheid. Kun je als Nederlandse Indonesiër nog wel veilig op vakantie naar je vaderland? In Indonesië staat de homogemeenschap onder druk na gerichte acties van de overheid.

In aanloop naar de ramadan pakte de politie deze maand 141 mannen op in een homosauna in de hoofdstad Jakarta. Eerder veroordeelde een shariarechtbank in de Indonesische provincie Atjeh een homostel tot 85 stokslagen.

In Surabaya, dat op het eiland Java ligt, werden in april veertien homoseksuele mannen opgepakt op basis van een anti-pornografiewet. Vorig jaar kwam Indonesië meermaals in het nieuws omdat de overheid de veiligheid van homoseksuelen niet kon garanderen.

COC Nederland is bezorgd. “Er worden mensenrechten geschonden onder het bewind van president Joko Widodo”, zegt een woordvoerder. Het COC schreef een brief aan de Nederlandse regering, vooral gericht aan demissionair minister van buitenlandse zaken Bert Koenders. “Daarin benadrukken wij dat de Indonesische regering, onder druk van de Europese landen, een halt toegeroepen moet worden.”

 

Generalisaties

De 24-jarige Neddo uit Amsterdam volgt het nieuws uit Indonesië op de voet. Hij maakt deel uit van de homo-community in Nederland. Met een Indonesische vader, en geboren op Java, heeft de net afgestudeerde psychologiestudent een sterke binding met zijn vaderland.

“Ik ben vaak in Indonesië op vakantie geweest om mijn familie te bezoeken. Het is een lastige kwestie: de bevolking praat niet over homoseksualiteit, het is een taboeonderwerp. Maar ik heb nooit agressie ervaren of gemerkt dat mensen mij hun moraal op wilden leggen. Dat staat in schril contrast met de gerichte acties van de Indonesische overheid tegen de homogemeenschap.”

De Amsterdammer benadrukt dat we moeten oppassen voor ‘generalisaties’ van de Indonesische bevolking. Volgens hem wordt er door buitenstaanders te snel met de vinger naar de moslims en hun geloof gewezen. Indonesië telt meer dan 250 miljoen inwoners en kent duizenden eilanden met vele culturen. “Ik durf nog wel op vakantie te gaan, 100 procent zeker. De homogelegenheden zal ik wel mijden, omdat de autoriteiten daar hun acties uitvoeren”, aldus Neddo.

Voor de lesbische Kristie (29, Amsterdam), die eveneens haar wortels heeft in Indonesië, liggen de gewelddadigheden tegen de homogemeenschap in haar geboorteland anders. In een telefonisch gesprek vertelt ze hierover: “Ik vrees dat ik niet veilig ben als ik terugga. Ik houd er rekening mee dat ik fysiek word aangevallen als de Indonesische autoriteiten en burgers erachter komen dat ik op vrouwen val.”

Toen Kristie vorig jaar tweeënhalve maand door Indonesië reisde, gaf haar moeder al het advies op te passen voor geweld tegen homoseksuelen. “Dat is de reden dat ik op internet mijn relatie verborgen houd en dat ik mensen die gay zijn uit mijn vriendenlijst op Facebook heb verwijderd. Ik ben eigenlijk weer de kast ingegaan.”

 

Spagaat

Dat nu ook homo’s vervolgd worden, is volgens Kristie vooral eraan te wijten dat de gematigde islam uit Indonesië verdwijnt: “Indonesië verliest langzaamaan zijn authentieke identiteit en cultuur doordat extremistische moslims meer invloed krijgen.”

Kristie wil vanuit Nederland iets voor de Indonesische homogemeenschap betekenen, maar verkeert naar eigen zeggen in een moeilijke positie: “Aan de ene kant wil ik het probleem zichtbaar en bespreekbaar maken, maar ik houd dan wel rekening met de negatieve gevolgen. Ben ik dan nog wel veilig? Op dit moment durf ik er nog niet op vakantie te gaan.”

Het wordt even stil aan de andere kant van de lijn: “Ik voel me verdrietig. Het is het land waar ik ben geboren en ik kan er niet uitkomen voor mijn geaardheid.”

Vanwege de privacy zijn de achternamen van de geïnterviewden niet vermeld. Deze zijn bij de redactie bekend.